Vier jonge Syriërs overdenken Nederlandse cultuur

Vijf jonge mannen vertellen hun verhaal over hun worsteling met het vinden van een baan of het beginnen met een studie.

Taher (21), Obaida (21) en Omran (21) zaten zeventien jaar geleden bij elkaar in de kleuterklas in Daraa, Syrië. Sindsdien zijn ze elkaars ‘broers’. Mohammed (24) is de oudere broer van Taher en is anderhalf jaar geleden, samen met hem, via Duitsland in Nederland aangekomen. Jeremy (21) is een Nederlander met een hart voor vluchtelingen en is student Sociaal Werk. Hij helpt Mohammed met het oefenen van zijn Nederlands. Via enkele omzwervingen binnen Nederland wonen zowel Taher, Mohammed als Omran nu in de provincie Zeeland. Obaida woont verder oostwaarts, in Brabant, en is een dag op bezoek bij zijn beste vriend Taher. Ik ga met ze in gesprek over hun leven in Nederland.

Werken en studeren in het Nederlands

Al bij aankomst op het station in de Zeeuwse stad ruik ik de zeelucht en zie ik de meeuwen rondcirkelen in de lucht. De huizen staan er pittoresk bij en het aanzicht voelt oerhollands aan. Je zou hier maar als vluchteling wonen, denk ik nog. Wat een contrast waarschijnlijk, met het land waar zij zijn geboren en opgegroeid. Taher staat mij bij de bushalte op te wachten en ik word hartelijk ontvangen in een keurig appartement op drie hoog. De tafel staat vol met chocolaatjes op schaaltjes, en Taher biedt aan om thee te zetten – “hele speciale Arabische thee, gekocht in de Libanese winkel verderop.”

Obaida en Taher vertellen over hun oriëntatie op de Nederlandse studiemarkt. Ze gaan naar informatiedagen van hogescholen, om informatie in te winnen over hun mogelijkheden. Obaida is in Syrië aan een administratieve studie begonnen, maar zou zich graag omscholen richting een studie, die meer gericht is op globalisatie of politieke wetenschappen. Taher heeft in Syrië enkel zijn middelbare school afgerond en heeft de wens om ‘Business Administration’ te studeren.

Hoewel beiden al ver gevorderd zijn met hun Nederlandse taalles, zouden ze hun studie liever in het Engels starten. “Ik beheers de Nederlandse taal voldoende om een gesprekje aan te gaan met Nederlanders, maar om een studie in het Nederlands te volgen lijkt mij te zwaar”, vertelt Obaida. “In het Engels kost het mij veel minder moeite om de informatie te begrijpen”. Dit argument is eerder gehoord door RefuTales. Helaas krijgen zowel Obaida als Taher beiden steeds te horen dat ze een bepaald niveau van de Nederlandse taal moeten beheersen vooraleer ze kunnen starten met studeren. Men kan zich de vraag stellen of het inderdaad noodzakelijk is om een bepaald niveau van de lokale taal te beheersen, alvorens vluchtelingen hun studie voort kunnen zetten. Taher vult aan: “Ik begrijp het niet. Mensen uit Amerika of Duitsland kunnen zonder problemen aan een Engelse studie in Nederland beginnen.” Obaida heeft hulp ingeschakeld via het UAF (een Stichting voor Vluchteling-studenten, ed.), maar ervaart tot op heden nog weinig steun bij zijn zoektocht.

“Ik begrijp het niet, mensen uit Amerika of Duitsland kunnen zonder problemen aan een Engelse studie in Nederland beginnen.”

Het belang van het oefenen van de lokale taal wordt ook duidelijk, als Mohammed vertelt dat Jeremy hem op vrijwillige basis helpt. “Ik heb geluk gehad met een taalcoach,” zegt Mohammed met een glimlach. “Er zijn niet voor alle vluchtelingen die Nederlandse les krijgen voldoende vrijwilligers,” vertelt hij. “Al is Jeremy nu een vriend en geen taalcoach meer.” Ook Jeremy ervaart het contact met Mohammed als positief. “Ik ben eerstejaars Sociaal Werk en voor een vak op school was het de bedoeling om ervaring op te doen in de praktijk. Ik wist meteen dat ik iets met vluchtelingen wilde doen.” Een uitwisseling of samenwerking tussen lokale bewoners en vluchtelingen draagt bij aan de integratie en begrip van beider kanten. Voor Mohammed zijn de prioriteiten helder: “Het is belangrijk dat ik eerst de Nederlandse taal voldoende beheers, zodat ik mij daarna kan voorbereiden op het vinden van een baan.”

“Ik ben bang dat ik er door faalangst geen woord Nederlands uitkrijg.”

Dat brengt ons bij de vraag, hoe de mannen hun arbeidstoekomst zien in Nederland. Ze geven aan ook op dit gebied nadelen te ondervinden van het feit, dat ze de Nederlandse taal nog onvoldoende beheersen. “Er zijn bijna geen Engelstalige banen in deze regio,” vertelt Taher. Voor een baan, waarin je Nederlands moet spreken, is het sollicitatiegesprek uiteraard ook in het Nederlands. “Ik ben bang dat ik er door faalangst geen woord Nederlands uitkrijg,” zegt Taher. “Ook al weet ik, dat ik prima een informeel gesprek in het Nederlands kan voeren.” Daarnaast zijn hun diploma’s en certificaten, die ze in Syrië hebben behaald, niet altijd geldig.

Poetsen en vrijwilligerswerk

Mohammed heeft, voordat hij naar Nederland kwam, in de transport gewerkt. In ruil voor zijn uitkering werkt hij momenteel zo’n 6 à 7 uur in dienst van de gemeente, als schoonmaker. Mohammed ervaart dit in principe als positief; op deze manier kan hij de Nederlandse taal oefenen en zijn de dagen meer ingevuld. Echter geeft hij te kennen deze baan niet als oplossing op de lange termijn te zien. Hij wil graag een hoger aantal uren werken en wil weer terug in de richting waarin hij eerder heeft gewerkt. Jeremy is bang dat de mannen te maken gaan krijgen met vooroordelen en discriminatie, op het ogenblik dat ze op zoek gaan naar een ‘echte baan’. “Ik geloof wel dat vluchtelingen in aanmerking komen voor vrijwilligerswerk of klussen via de gemeente, zoals Mohammed nu doet. Maar ik vrees dat ze via een uitzendbureau in de regio toch minder gemakkelijk aan een baan gaan komen.”

“Het is moeilijk om een voorstelling te maken van de toekomst. Wij hebben geen plan.”

De onzekerheid op het gebied van studie en werk maakt, dat de jonge mannen moeilijk een antwoord kunnen geven op vragen over hun toekomst. “We kunnen ons geen voorstelling maken van de toekomst”, zegt Taher. “Zodra de oorlog in Syrië over is, wil ik graag terug. Syrië heeft mij nodig, als het land heropgebouwd moet worden.” Obaida vindt geen woorden om te beschrijven, hoezeer Nederland verschilt met zijn thuisland. Hoewel hij dankbaar is, dat hij in Nederland is opgevangen, zou hij liever in een Arabisch land wonen, zodat er qua taal en cultuur minder grote verschillen zijn met waar hij is opgegroeid. Als belangrijkste verschil noemt hij de mate van gastvrijheid. In Syrië is het heel gebruikelijk om meer samen met anderen te leven. Het valt Obaida soms zwaar dat Nederlanders individualistischer zijn; hij krijgt daardoor moeilijk contact. Verder grapt hij: “en de slappe zwarte Nederlandse koffie.”

Mohammed vult aan: “Hoewel Saoedi-Arabië voor de helft mijn moederland is, word ik er niet toegelaten.” Op de vraag waarom hij niet naar Saoedi-Arabië kan, wil hij helaas geen antwoord geven. Mohammed sluit zich aan bij zijn broertje Taher: “Het is moeilijk om een voorstelling te maken van de toekomst, ook in de wens voor een relatie of gezin. Wij hebben geen plan.”


ABONNEER JE OP REFUTALES D.M.V. E-MAIL

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op deze blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe berichten.


 

 

 

 

Related Posts